Skip to main content

Spreektekst Begrotingsstaat provinciefonds 2026. 15-06-2026

Spreektekst Begrotingsstaat provinciefonds 2026. 15-06-2026

Voorzitter. Ik vraag enige clementie, omdat er mogelijk een overlap is met het debat over het gemeentefonds.

Ik zal beginnen met het punt over de opcenten motorrijtuigenbelasting. Naar aanleiding van de vraag van de PVV-fractie in de schriftelijke voorbereiding of provincies kunnen worden aangespoord om de tarieven te verlagen om ook de lasten voor onze huishoudens vanwege de hoge energie- en brandstofprijzen te kunnen verlagen, komt de minister met een omtrekkende beweging tot: "Voor personenauto's heeft het kabinet ingezet op andere maatregelen om de betaalbaarheid van mobiliteit te verbeteren en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen.

Zo wordt de openstelling van een inruilregeling voor oude fossiele personenauto's versneld naar het vierde kwartaal van 2026. Deze regeling is bedoeld voor huishoudens met lagere (midden)inkomens om hun oude fossiele auto te laten slopen en met subsidie een tweedehands elektrische auto aan te schaffen." Dit is geen betere betaalbaarheid, maar een herverdeling van geld. Bovendien: waarom moeten auto's die nog goed zijn, gesloopt worden? Is het niet je reinste kapitaalvernietiging? En worden hierdoor niet onnodig kostbare grondstoffen gebruikt? Dat is toch juist in strijd met alle ambities rond duurzaamheid? Graag een reactie hierop van de minister.

In 2017 deed de toenmalig minister van Binnenlandse Zaken, de heer Plasterk, mij de toezegging om te bezien hoe de opbrengsten van de motorrijtuigenbelasting meegenomen zouden kunnen worden in het verdeelmodel van het provinciefonds. Pas in 2024 is de toenmalige minister, Hugo de Jonge, daarop teruggekomen door aan te geven dat er een adviesaanvraag zou uitgaan, mede namens het IPO, richting de Raad voor het Openbaar Bestuur. Kan de minister aangeven wat hier uiteindelijk het resultaat van is, als het er al is?

Verder heb ik de vraag of de minister erop wil inzetten om van de motorrijtuigenbelasting wederom een doelbelasting te maken. Voor 1981 was dit immers ook het geval, want toen werd vanuit de motorrijtuigenbelasting een wegeninfrastructuurfonds gevoed. Met Bestek'81 is er destijds voor gekozen om de provinciale opcenten als algemeen heffingsmiddel in te voeren om het beƫindigen van een provinciale heffingsgrondslag voor onroerende zaken te compenseren. 45 jaar later zien we enorme uitdagingen in tekortschietend onderhoud en aanleg van fysieke infrastructuur, ook op provinciaal niveau. Veel provincies geven heel veel meer opbrengsten van de opcenten uit aan andere zaken dan de wegeninfrastructuur. Een doelbelasting zorgt er ten minste voor dat er ten aanzien van de wettelijke taken op het gebied van provinciale wegen, bruggen en fietspaden een duidelijk verband zit tussen baten en lasten.

Uit recente rapporten van de Boston Consulting Group blijkt dat vele honderden miljarden nodig zijn om onze infrastructuur op orde te krijgen, waarbij volgens dit BCG-rapport ook onze welvaart in het geding dreigt te komen. Erkent de minister dat deze situatie onhoudbaar is, dat provinciale investeringen in de infrastructuur nu een essentiƫle rol gaan spelen en dat daarop moet worden ingezet?

Voorzitter. Dan heb ik nog een aantal andere punten die een overlap hebben met het gemeentefonds. Bij het provinciefonds en het gemeentefonds heeft de Raad voor het Openbaar Bestuur net als diverse fracties in deze Kamer aangegeven behoefte te hebben aan helderheid en een inventarisatie van de taken van deze respectievelijke bestuurslagen. De minister heeft geen duidelijk antwoord op de gestelde vragen. Zo wordt ten aanzien van de fondsen gesteld dat de groei van het fonds niet meer aan specifieke taken kan worden toegerekend. De fondsen komen ten goede aan de algemene middelen. Provincies hoeven daarvoor geen verantwoording aan het Rijk af te leggen. Ze zijn weliswaar verplicht om voor medebewindstaken benodigde middelen in de begroting op te nemen, maar hierbij geldt een aanzienlijke ruimte voor effectief en doelmatig beleid. "Omdat de middelen uit de fondsen niet zelf geoormerkt zijn, is het mogelijk dat provincies integraal beleid maken over de taakvelden heen", citeer ik uit de reactie. Een concrete inventarisatie wil het kabinet niet geven. Het blijft bij: "We gaan kijken hoe monitoring kan bijdragen aan een beter gesprek over de balans tussen taken en middelen". Dat is niets. Dat is totale leegte.

Inzicht in de taken is van cruciaal belang, zeker gelet op de koppeling tussen enerzijds budgetten in het provinciefonds voor medebewindstaken en anderzijds de autonome beleidsvrijheid. Waarom zou over medebewindstaken geen verantwoording moeten worden afgelegd aan de minister? Het integrale beleid over taakvelden heen maakt nou juist dat de "wie-wat-waar-wanneer-en-waarom"-vragen, die juist op decentraal niveau erg belangrijk zijn, niet meer kunnen worden gesteld. Graag een reflectie hierop van de minister.

Hoewel er uiteraard bevoegdheden ten aanzien van autonoom beleid bestaan, valt op dat de provincies allerlei taken naar zich toe trekken. Dat uit zich ook in het structureel maken van kosten die feitelijk niet structureel zijn. Ook is dat zichtbaar aan het alsmaar uitdijende IPO, met een steeds hogere begroting en met steeds meer taken die bij het IPO terechtkomen. En dat terwijl het IPO een privaatrechtelijke organisatie is, die dus niet onder het publiekrecht valt. Bij de provincie heb ik de uitdijende IPO-rol weleens aangeduid als IPO-besitas. Daar moeten we toch eens een dieet op zetten.

Onduidelijkheid over de medebewindstaken maakt ook de autonome beleidsruimte onduidelijk, wat omgekeerd ook zorgt voor aantasting van de decentrale autonomie. Graag een reflectie hierop van de minister.

Voorzitter, tot zover in deze termijn.